Als trainers willen we interactie in en met de groep. Maar de ene interactie is de andere niet. Sommige interacties zijn leerzaam en verbindend, andere zijn zinloos en zonde van de tijd. Het grote verschil is of je het werkgeheugen van deelnemers op een productieve manier belast of niet. Eerder schreef ik daar een blog over. In dit blog pak ik het wat praktischer aan: ik geef 10 tips hoe je leerzame interactie bevordert en 10 tips hoe je onproductieve interactie voorkomt.
Zinvolle interactie vormgeven: 10 do’s
Met de volgende acties krijg je zinvolle interactie: je stimuleert de deelnemers om meer te leren of motiveert ze.
1. Vraag in de kennismaking naar de pijn
Als je deelnemers in de kennismaking vraagt naar de pijn krijg je boven tafel waar ze in de praktijk tegenaanlopen en dat motiveert. Je laat namelijk zien dat jouw programma aansluit bij hun praktijk, bij hun pijn. Dat zorgt bovendien voor verbinding tussen de deelnemers, want ze herkennen elkaars voorbeelden.
2. Laat de deelnemers feedback geven op een praktijkvoorbeeld
Laat ze reageren op een sollicitatiebrief als je een training geeft over solliciteren. Of op een demonstratie van een slecht-nieuwsgesprek voor de groep als dat het onderwerp is. Het is leerzaam voor deelnemers om te verwoorden wat ze zien: welke aanpak heeft welk effect? Voor jou is het goed om te weten wat ze wel en niet zien, zodat je dat kunt bekrachtigen of aanvullen.
3. Laat deelnemers reageren op de theorie
Vraag de deelnemers na de uitleg van de theorie: ‘Hoe klinkt dit?’ Wees stil en laat zeker drie deelnemers reageren. Op deze manier kom je te weten wat ze oppikken van je uitleg. Het geeft stof voor discussie (‘Ik snap nog niet waarom je…’). Zo krijg je zinnige interactie. Soms leidt het ook tot een demonstratie (‘Maar hoe doe ik dat dan bij …’) of tot de volgende stap, oefenen met de stof (‘Klinkt logisch, maar ook lastig’).
Ontdek of deze aanpak bij je past »
4. ‘Is dit herkenbaar?’
Dit vraag je deelnemers na de uitleg van de theorie. Bij een ‘ja’ vraag je door naar een voorbeeld. Zo wordt de opbrengst van de theorie expliciet en dat motiveert. Bij een ‘nee’ gooi je die reactie in de groep om een discussie uit te lokken.
5. Vraag wat er nog lastig was na een oefening
Vraag na een oefening: ‘Wat was er nog lastig?’ Laat de deelnemers vervolgens kauwen op de stappen. Of laat iemand nogmaals oefenen in de groep waarna de rest feedback geeft. Zo leert iedereen van een lastig punt in de oefening. Na deze interactie ga je weer door met de volgende stap.
6. Kaats ja-maars terug in de groep
Stel je op als een nieuwsgierige gespreksleider en neem geen stelling. Anderen in de groep zullen jouw theorie dan gaan uitleggen aan hun collega’s: zo verwerken ze de stof interactief. Dat doen ze vaak wat anders dan jij het deed en bovendien hebben ze er geen belang bij. Daardoor gaan de deelnemers die ja-maarden het beter snappen en/of nemen ze het eerder aan.
7. Steun een foute mening
‘Dat klinkt goed, toch?’ Als je deze vraag stelt naar aanleiding van een fout inzicht gaan deelnemers dieper nadenken. Zo krijg je interessante argumenten op tafel.
Leer ook zo trainen in onze train de trainer »
8. Laat deelnemers altijd als eerste feedback geven
Het is handig om deelnemers altijd als eerste feedback te laten geven en zelf als laatste. Op deze manier denken deelnemers dieper na en hoor jij wat ze zelf al zien en weten en wat nog niet. Wanneer jij als eerste feedback geeft, blijft de groep vaak stil: nul interactie en minder diepgaand nadenken.
9. Geef richting aan de feedback die je wil ophalen
Vraag niet ongericht naar ‘tips en tops’. Vraag deelnemers liever om feedback te geven vanuit het beoogde effect (bij een ontdekkende oefening) of vanuit het stappenplan (bij een intrainende oefening). Zo wordt de feedback veel effectiever.
10. Monitor welke deelnemers weinig zeggen
Kijk naar stille deelnemers, dan kun je ze expliciet uitnodigen als je ze peinzend ziet kijken. Vaak komt er dan iets interessants. En ook als dat niet zo is, heb je beter in beeld wat de betreffende deelnemer denkt, zodat je gerichter kunt reageren.
Zinloze interactie voorkomen: 10 don’ts
De volgende acties leiden wel tot interactie, maar leveren weinig op in termen van leren en/of motivatie. Liever niet doen dus.
1. De inbreng van elke deelnemer samenvatten
Als je elke deelnemer samenvat, lijkt dat misschien respectvol, maar werkt enorm vertragend. Het versterkt bovendien de interactie tussen jou en de individuele deelnemer. Maar vaak wil je bevorderen dat de deelnemers op elkaar gaan reageren: interactie in de groep.
2. Kennismakingsspelletjes
Deelnemers stellen zich bijvoorbeeld voor aan de hand van hun sleutelbos. Zulke spelletjes geven wel interactie, maar zijn meestal niet boeiend, niet relevant en niet leerzaam.
Meedoen aan de supervisie voor oud-deelnemers »
3. Associaties inventariseren
‘Waaraan denk je bij …’. Zo’n inventarisatie leidt tot interactie en lijkt activerend, maar dat is in feite niet zo. De deelnemers leren er niets van en je kunt er als trainer weinig mee, behalve je eigen definitie of associatie geven. Op z’n best is het een weinig effectieve opwarmer.
4. Feitvragen stellen aan de groep
‘Wie weet wat dit betekent?’ Het doel van een training is niet om feitenkennis over te dragen, maar om vaardigheden in te trainen. Overhoorvragen dragen daar weinig aan bij: het is zonde van de tijd en deelnemers worden er eerder onzeker van dan zekerder. Bovendien krijg je een schoolse verhouding met je deelnemers, waardoor ze meer terechtkomen in de leerlingrol. Dat leidt tot te veel volgen en/of verzet.
5. Voorkennis ophalen op een theoretische manier
‘Wat weten jullie al van …’ Deze interactie is niet effectief om dezelfde reden als het punt hiervoor: een training gaat over praktische kennis en vaardigheden. Daarom is het zinvoller om te kijken wat deelnemers al herkennen van een vaardigheid door te starten met een concrete casus. Zie ook do nr. 2
6. Deelnemers in groepjes tips laten bedenken
‘Bedenk zelf wat de vereisten zijn van een goed project.’ Dit is een oefening in subgroepjes die leidt tot veel interactie en daardoor een fijne start van de training lijkt. Maar de meeste deelnemers vinden zo’n opdracht niet interessant, want ze leren er weinig van. Ze bedenken zelden iets wat ze nog niet weten en wat ze bedenken, is lang niet altijd effectief. Dat betekent dat je daarna óf hun ideeën moet negeren óf in een discussie belandt over wat het beste is.
7. Deelnemers elkaar delen van een boek laten uitleggen
Ook dit lijkt een leerzame opdracht: de hoofdstukken van een boek verdelen in de groep en deelnemers om beurten een hoofdstuk aan de groep laten uitleggen. Daarmee ben je zelf minder aan het woord en is er interactie tussen de deelnemers. Maar theorie is té belangrijk om die door een deelnemer te laten uitleggen. En de deelnemers die presenteren hebben vooral geoefend met de vaardigheid ‘theorie samenvatten’, terwijl dat meestal niet de focus is van de training. De energie gaat dus naar het verkeerde onderwerp. Gebruik hun denkkracht liever op het toepassen van het hoofdstuk op voorbeelden.
8. Feitvragen terugkaatsen
Soms stellen deelnemers zelf feitvragen: ‘Wat is ook alweer de beste volgorde in een slecht nieuwsgesprek?’ Vraag dan nooit ‘Wat denk je zelf?’ of ‘Wat denken anderen?’ Want ook al geeft dat interactie, het levert vaak een matig antwoord op dat je net zo snel zelf kunt geven. Je krijgt er bovendien een schoolse sfeer van waarin je de deelnemers lijkt te overhoren. Zie ook don’t 4.
9. Alle subgroepjes om beurten laten rapporteren
Na een oefening ga je alle groepjes af: ‘Hoe ging het bij jullie?’ Om beurten rapporteren ze aan jou. Je moet sleuren om interactie binnen de groep te krijgen. Dat komt doordat alleen rapporteren heel saai is. Vraag de groep liever wat al is gelukt en wat nog lastig was en kijk wie wil reageren. Train door op wat nog moeilijk was. Zie do nr. 5
10. Een te lastige vraag stellen
Je hebt een stuk theorie uitgelegd, ziet dat de groep stilvalt en wil ze aan het praten krijgen. Dus stel je een denkvraag: ‘Waarom zou deze stap niet als eerste kunnen?’ Maar als ze stilvallen zijn deelnemers vaak hard bezig om dat wat je verteld hebt in te passen in hun eigen denkbeelden. Vervolgens kom jij met een vraag die het concept alleen maar lastiger maakt, doordat je de stof nog verder wilt uitdiepen. Vaak geeft er één snelle denker antwoord, maar de rest van de groep haakt niet aan. Zo heb je dus alsnog weinig interactie en ben je de groep kwijt. Stel dus liever de vraag: ‘Hoe klinkt dit?’ Zie ook do nr. 3.