10 tips om rollenspellen echt te maken

Rollenspellen zijn een geweldige werkvorm. Maar vaak klagen deelnemers dat ze niet echt voelen en dat haalt de sjeu er wel vanaf, want dan leren ze minder.  Gelukkig kun je als trainer veel doen om rollenspellen echt te maken.

1. Werk met echte situaties

Rollenspellen worden veel echter wanneer deelnemers eigen situaties inbrengen. Werk daarom het liefst met situaties die de deelnemers zelf inbrengen. Als Marieke op haar werk last heeft van een collega voelt het rollenspel daarover veel echter dan wanneer jij een situatie voorlegt.

2. Eerst de situatie, dan pas wie wil oefenen

Vraag eerst naar lastige situaties. Vraag je eerst wie wil oefenen, dan blijft het vaak lang stil. Degene die zich aanbiedt, doet dat omdat hij altíjd wil oefenen of omdat hij jou van dienst wil zijn. Maar vervolgens moet hij lang nadenken over een eigen situatie. Vraag daarom eerst welke situaties deelnemers lastig vinden. Doe dat in gewone taal. ‘Wie heeft de laatste tijd nog een lastige klant gehad?’ ‘Wie heeft weleens een beoordelingsgesprek moeten voeren met een lastige medewerker?’ Zo krijg je verschillende situaties op tafel. Wanneer er drie op tafel liggen, vraag je wie er mee aan de slag wilt. Je kunt ook zelf gericht iemand vragen: ‘Vind je het goed om jouw situatie eens bij de kop te pakken?’

3. Rol deelnemers goed in de situatie in

Soms hebben deelnemers geen eigen situaties of wil je iedereen de kans geven om te oefenen. Leg dan zelf een situatie op tafel en maak die zo echt mogelijk. ‘Stel je voor, je hebt een voortgangsgesprek met Pieter. Pieter is 45 jaar, werkt als verpleegkundige en heeft tot nu toe altijd goede beoordelingen gehad. Jij bent zijn nieuwe leidinggevende en jij vindt dat hij het niet goed doet. Hij is vaak te laat op de afdeling, neemt lange rookpauzes en je vindt hem vaak bot tegen patiënten. Laatst hoorde je hem zeggen dat iemand niet zo moest zeuren. Uitgesproken op zogenaamd vrolijke toon (‘niet zo zeuren hoor mevrouwtje!’, maar zo wil je niet dat hij met patiënten omgaat. Vandaag heb je een voortgangsgesprek met hem. Hoe ga je hem duidelijk maken dat hij zijn gedrag moet veranderen?’

Je geeft dus zo veel details dat de deelnemers de situatie voor zich zien en ermee aan de slag kunnen. Daarmee voorkom je dat de deelnemers aan rollenspellen een verschillend beeld hebben van de situatie en in verwarring raken. A: ‘Weet je nog laatst op de gang, dat je mevrouw Geurtsen naar de OK reed?’ B: ‘Huh, waarover hebt je het? Ik ben de chirurg en rijd niemand naar de OK!’

4. Laat de oefenaar zelf zijn tegenspeler kiezen

Laat de oefenaar altijd zelf een tegenspeler kiezen. Hij zal automatisch iemand kiezen die lijkt op de persoon die hij in het echt lastig vindt. Daarmee is de kans groot dat het tegenspel lijkt op de echte praktijk. Kies als trainer dus niet zelf een tegenspeler en vraag ook niet wie in de groep zin heeft om de tegenrol te vervullen. Dan heb je minder kans op goed tegenspel.

5. Zet de situatie neer zoals hij is

Wanneer de oefenaar en de tegenspeler bekend zijn, zet je de situatie neer zoals die in het echt is. Staan ze, zitten ze, hoe zitten ze? Is er normaal een tafel, zet die erbij. Spreken ze elkaar via de telefoon, laat ze dan met de rug naar elkaar toe gaan zitten.

6. Regisseer de tegenspeler

Vaak voelt een gesprek al echt wanneer de oefenaar zelf een tegenspeler heeft gekozen. Maar soms vervalt de tegenspeler in toneelspel of geeft hij te weinig tegengas. Geef dan regieaanwijzingen aan de tegenspeler: ‘Iets rustiger’ of ‘Je mag iets bozer worden.’ Doe dit gewoon hardop, het is geen geheim voor de groep of voor de oefenaar. In het uiterste geval zet je de oefening stop en vraag je de oefenaar: ‘Is dit hoe hij normaal doet?’ Laat de oefenaar wat aanwijzingen geven en start opnieuw.

7. Noem de tegenspeler bij zijn ‘spelnaam’

Noem de oefenaar bij zijn eigen naam, maar noem de tegenspeler bij de naam van de persoon die hij speelt. Gebruik die naam ook in de time-out: ‘Wat zagen jullie dat het effect was op Trudy?’ Hierdoor wordt de situatie echter.

8. Vermijd woorden als ‘spelen’ en ‘rollenspellen’

Met klein woordjes kun je deelnemers op het verkeerde been zetten. Vermijd daarom woorden als ‘spelen’ en ‘rollenspellen’. Vraag bij de start wie het gesprek wil uitproberen of ermee aan de slag wil. En noem het oefeningen, geen rollenspellen.

9. Corrigeer lachende observanten

Soms gaan observanten lachen en is dat toepasselijk; dan gebeurt er iets dat echt grappig is en geeft lachen lucht. Maar soms gaan ze ook lachen, omdat de spanning te groot wordt. Dan doet de oefenaar bijvoorbeeld iets nieuws en schieten de observanten in de lach, omdat het out-of-character is. Dat kan de oefenaar uit hun spel halen en dat is niet prettig. Blijf daarom serieus en zeg iets als ‘Jongens, even de focus houden.’ Of tegen de oefenaar en tegenspeler: ‘Ga door!’

10. Erken dat het niet echt is

Na al deze moeite kan de oefenaar nog steeds zeggen dat de oefening niet echt voelde. ‘In het echt is het toch anders.’ In zo’n geval erken je zijn gevoel en leef je mee. ‘Raar hè, om het hier zo na te doen. Nee natuurlijk is het niet echt.’  Hierna vraag je of de oefenaar benieuwd is naar de feedback: ‘Wil je nog wel horen wat de groep ervan vond?’ Of: ‘Zullen we eens kijken hoe de tegenspeler het ervaren heeft?’ Doordat je erkent dat het niet echt is, is de kans groot dat de oefenaar de feedback toch wil horen.

Ook zo leren trainen?

Wil je ook zo leren trainen? Kom dan naar de driedaagse training Rollenspellen met resultaat. Of lees het boek Zo werken rollenspellen écht.

12 gedachten over “10 tips om rollenspellen echt te maken”

    • In het voorgesprek met een trainingsacteur wijs ik ze op hun taalgebruik. Juist zij hebben het vaak over spelen en rollen.
      Wil je punt 11 goed laten lukken, maar dan heldere afspraken. De acteur is beschikbaar met gedrag, zodat er geoefend kan worden. De feedback van de acteur is waardevol. Jij als trainer leidt het proces. Te enthousiaste acteurs dreigen soms het proces over te nemen.

  1. Een veel gehoord knelpunt is het oefenen van gesprekken/ situaties met je groepsgenoten. Dit wordt vaak als niet echt ervaren. Een trainingsacteur inzetten bij trainingen is veel realistischer. Die vraagt zijn rol kort uit, kan snel schakelen en kan ook nog op een gepaste manier feedback geven. En zo is de cirkel van leren compleet.

  2. Ik kan mij volledig vinden in de 10 tips, maar niet in tip 11. Acteurs inschakelen is een tijdrovende en dure aangelegenheid. Tip 12: investeer in jezelf en volg acteerlessen. Op sommige momenten is het gewoon beter dat je als trainer de tegenspeler bent zodat je ervoor kunt zorgen dat de juiste aandachtspunten blootgelegd worden. Op andere momenten kun je deelnemers coachen om de oefening op de juiste manier in te vullen.

    • Wat een interessante reacties over het werken met een acteur. Ik ben het ermee eens dat hij passend is als tip 11 bij deze punten, want een acteur maakt een situatie meteen heel echt! Deze punten zijn voor als je de deelnemers zelfstandig wilt laten oefenen. In mijn ervaring kan het dan ook heel echt voelen als je het op deze manier doet en als je je training goed opbouwt.

    • Ik kan mij helemaal vinden in de 10 tips, zeker tip 2 is een hele fijne! Tip 11 probeer ik zoveel mogelijk in te zetten!
      Luc, zelf de tegenspeler zijn ben ik geen voorstander van. Meerdere malen heb ik gemerkt dat dit ook heel verwarrend kan zijn voor de deelnemers. Ook eens zelf mogen ervaren als deelnemer.
      Vaak worden er situaties geoefend waarover de deelnemer zich onzeker voelt. Als trainer bewaak je het proces, dat geeft vertrouwen en veiligheid om te kunnen oefenen en ‘out of the box te durven gaan’. Wanneer je als trainer de tegenspeler bent schakel je dus tussen rol en procesbewaker. Mogelijk kun jij snel schakelen tussen deze rollen, maar vraag je af of je deelnemers dat ook kunnen.

  3. Interessant; vooral ook omdat je er voor kiest om 1 iemand voor de groep te laten naspelen. Dat is soms best spannend.
    Ik kies er daarom vaak voor tegelijkertijd in tweetallen te oefenen: en vooraf een gedetailleerde sit schets te geven.. en steeds plenair kort na te bespreken, elkaar een tip en top te geven en dan door te schuiven.. ook erg leuk, dan is iedereen aan de slag.

    • Beste Olga,
      dank voor je reactie. Je hebt zeker gelijk dat oefenen in subgroepen ook een belangrijke werkvorm is. Mooi dat je dan een gedetailleerde situatieschets geeft, want daardoor gaan ze vaak lekker aan de slag. (wanneer je ze zelf een situatie laat bedenken zijn ze daar de eerste 5 minuten mee bezig… of langer… en komt het niet van oefenen).

  4. Werken met een acteur heeft een grote meerwaarde. Maar inderdaad moet je heel goed afspreken wat de rolverdeling is. Je hebt ieder je eigen ‘takenpakket’. Je hebt inderdaad trainingsacteurs die maar al te graag de trainersrol op zich nemen. Van de andere kant wil ik ook zeggen dat er soms trainers zijn die dit stimuleren. Dan zitten ze mij aan te kijken van ”en nu?”of “Nou doe nog maar eens iets…” Vooraf afspraken maken over rol, taken, casuïstiek en theorie is daarom belangrijk.

  5. Tip 4 klinkt zo logisch maar ik had het nooit verzonnen. Morgen uitproberen. Dank je wel. Tip 7: De spelnaam gebruik ik ook omdat de tegenspeler vaak een lastig, naar, onaardig, … iemand is. Dat is dus niet je medecursist X maar de Trudy die zij speelt. Oefening af, Trudy weg.

Een reactie plaatsen