Rollenspellen begeleiden

Vorige week verzorgden alle deelnemers aan de vakopleiding train de trainer een minitraining voor externe gasten. Een van de gasten gaf ons een mooi compliment: ‘Twee weken geleden heb ik met collega’s een dag gevolgd over het werken met rollenspellen. Die vonden we zo vreselijk dat we halverwege zijn gestopt. Vandaag heb ik de hele dag rollenspellen gedaan en ik heb het niet eens gemerkt!’

Omdat veel deelnemers én trainers opzien tegen rollenspellen vroeg ik me af wat nu het verschil maakt. Wanneer zijn rollenspellen vervelend en onveilig en hoe maak je ze leuk en leerzaam? In deze nieuwsbrief vind je vijf cruciale ingrediënten om rollenspellen te begeleiden: oefen gericht, maak het echt, houd het klein, start met waarnemingen, herkans vanzelfsprekend.

1. Oefen gericht

Gebruik rollenspellen altijd om deelnemers concrete vaardigheden te laten ontdekken of te laten oefenen. Zo maar ‘lastige gesprekken’ oefenen, maakt een rollenspel te breed en onveilig. De kans is groot dat je de feedback dan niet kunt sturen, dat de oefenaar te veel feedback krijgt en dat de observanten er niets van leren. Zorg daarom voor een scherp doel en concrete tips – die geven richting en bieden de deelnemers houvast.

Niet doen

‘Het gaat niet om het receptje, maar om je eigen stijl! ‘Met zo’n opmerking lok je veel discussie uit en waaiert de feedback alle kanten uit. De oefenaar weet dan niet meer wat hij ermee moet. Natuurlijk is het goed als deelnemers zelf ontdekken wat werkt, maar je maakt rollenspellen veiliger en effectiever als je ook helderheid geeft: ‘Zo werkt het en dit gaan we intrainen!’ Hiermee geef je richting aan de oefenaar en de observanten.

2. Maak het echt

Als je deelnemers laat oefenen met situaties die levensecht zijn, wordt een rollenspel pas waardevol: deelnemers duiken vaak meteen in hun valkuilen en kunnen daar gericht aan werken. Vraag deelnemers daarom altijd om eigen cases. Hebben ze moeite om die zelf te bedenken? Lok ze dan uit de tent door 2 of 3 situaties te schetsen waarvan jij denkt dat ze daar moeite mee hebben. In dit blog vind je meer tips om rollenspellen echt te maken.

Niet doen

Alleen oefenen met spelletjes als ‘de bezinepomp’ of ‘de sinaasappelcase’. Die zijn leuk als tussendoortje, om wat inzicht te geven, maar te mager om de vaardigheden echt te leren. De situaties zijn vaak niet herkenbaar voor deelnemers en daardoor is de transfer naar de praktijk lastig. Bovendien zijn er altijd slimmeriken die prima uit de voeten kunnen met dit soort ‘spelletjes’. Zij komen hun valkuilen pas tegen als ze aan de slag gaan met echte cases.

3. Houd het klein

Wanneer deelnemers aan de slag gaan met echte situaties maken ze zo goed als zeker fouten. Dat is mooi, want zodra je die ziet, kun je het gesprek al stop zetten. In de time-out bespreek je dan wat er goed ging en wat niet. Houd het klein: in een enkele zin zie je vaak al de valkuil van de deelnemer terug. Juist door snel te stoppen en een paar voorbeelden te bespreken krijg je die op tafel.

Niet doen

De deelnemers het gesprek laten afmaken, omdat het anders zielig is. Hiermee rek je de nabespreking eindeloos, want er is zoveel gebeurd en zoveel te zeggen. Het leereffect voor de oefenaar wordt kleiner en de observanten gaan zich vervelen.

4. Start de feedback met waarnemingen

Bij feedback zijn concrete waarnemingen zeker zo belangrijk als de regel ‘eerst een plus, dan een min’. Want concrete waarnemingen zorgen ervoor dat de oefenaar de feedback herkent en tot zich laat doordringen. Observanten hebben vaak moeite om concrete waarnemingen te benoemen. Die zeggen dingen als ‘het begin ging heel goed, maar daarna werd het wat rommelig.’ Van zulke feedback knapt niemand op. Vraag daarom door: wat zei de oefenaar in het begin dat je goed vond? Hoe reageerde haar gesprekspartner? Wat was dus het effect?

Niet doen

Passief luisteren naar de feedback en niet doorvragen op het commentaar van de observanten. Hierdoor wordt de feedback iets dat je doet omdat het hoort in plaats van iets dat helpt om de vinger op de zere plek te leggen. Deelnemers hebben hulp nodig om hun feedback concreet te maken en daar leren ze zelf weer van.

Een deelnemer aan onze vakopleiding train de trainer geeft les aan een hogeschool. Zij vertelde me laatst hoe goed het werkt om je feedback te starten met waarnemingen: ‘Na de les kwamen drie meiden naar me toe. Ze complimenteerden me dat ik de enige docent was waarbij Martin niet had gesputterd op de feedback. Dat deed hij normaal altijd, maar bij mij had hij het gewoon geaccepteerd. Die meiden vonden dat fantastisch!’

5. Een herkansing spreekt vanzelf

Uit de feedback haal je één verbeterpunt en daarmee laat je de deelnemer herkansen, want daarin zit de echte verbetering. Concentreer je op alleen die ene tip; zodra die is gelukt, stop je het gesprek en bespreek je na. Wat ging nu beter en welk effect had dat? Hierna is de volgende aan de beurt. Je bent dus niet uitputtend tijdens de nabespreking: de oefenaar hoeft niet alles in te trainen, één verbeterpunt is genoeg. Daarna is hij observant bij anderen en daar leert hij ook weer van. Zo bewaak je dat deelnemers niet overvoerd worden, dat iedereen aan bod komt en dat je altijd eindigt met een succes.

Niet doen

‘Wil je herkansen?’ Door dit te vragen, stel je de deelnemer voor de keuze. Maar je vraagt hem ook niet of hij op tijd wil komen of wil luisteren naar je uitleg. Bij oefenen hoort herkansen, dus waarom zou je hem nu wel de keuze bieden? Vraag daarom liever: ‘Zullen we die tip oppakken voor de herkansing?’

Rollenspellen leren begeleiden?

Nieuwsgierig geworden. In de training Rollenspellen met resultaat leer je hoe je rollenspellen probleemloos tot een succes maakt.

4 gedachten over “Rollenspellen begeleiden

  1. Sinds ik deze manier van werken gebruik in het oefenen van situaties, zit er veel meer vaart in. Bovendien lukt het nu bijna altijd om iedereen aan de beurt te laten komen.

  2. In een reeks van 6 bijeenkomsten start ik de eerste bijeenkomst met het observeren van een rollenspel. Met een trainersacteur speel ik een situatie –>bijvoorbeeld: echt luisteren. De deelnemers observeren. Eerst laat ik zien wat er gebeurt als ik niet goed luister. De deelnemers zitten op het puntje van de stoel om te zeggen wat ik verkeerd doe. Naar aanleiding van hun tips ga ik aan de slag. Het voordeel van deze werkwijze vind ik dat ik laat zien –>dat uit proberen helpend is om te leren. In de daarop volgende bijeenkomsten is de drempel voor de deelnemers lager om zelf te gaan oefenen en uit te probreren.

  3. Beste Ina en Hanneke, leuk dat jullie reageren met de ervaring uit de praktijk dat het werkt. En Elsa, mooie aanvulling. Ik zie voor me hoe je de drempel om zelf te experimenteren hiermee veel lager maakt. Van ‘puntje op je stoel’ naar van die stoel af en zelf proberen :-).

Een reactie plaatsen