3 pijlers van een geslaagde training

Na de eerste dag van een tweedaagse training rijd ik naar huis. Het is niet slecht gegaan, maar ik ben niet echt tevreden: de deelnemers vielen te vaak stil, er was te weinig flow en ik heb te hard moeten werken. Waar zit hem dat nou in? En wat kan ik doen zodat het morgen beter gaat?

Wat maakt het verschil tussen een training die wel oké is en een training waarover je 100% tevreden bent? Wanneer het niet goed gaat, kan het liggen aan zo veel verschillende dingen. En wanneer het wel goed gaat, lijkt dat soms een wonder: alsof het toeval is of afhangt van hoe gemotiveerd de groep is. Maar dat is niet zo: op een goede training kun je sturen.

Voor mij rust een geslaagde training op 3 pijlers: focus, structuur en contact. Deze geven me houvast tijdens de voorbereiding en ik gebruik ze om te checken waar ik een steek laat vallen als het niet lekker loopt.

Focus: wat wil je overbrengen?

Een geslaagde training begint altijd met een boodschap. Wat wil je overbrengen, wat is de essentie van datgene wat je de deelnemers wilt leren? Als je deze vragen beantwoordt, krijgt je training focus. Bij elk onderdeel weet je wat de kern is: wanneer deelnemers die snappen en kunnen toepassen, heb jij je doel bereikt! Dat is niet alleen fijn voor jezelf, maar ook voor de deelnemers, want die zien een gepassioneerde en doelgerichte trainer op wie ze kunnen vertrouwen.

Om mijn eigen trainingen focus te geven, vraag ik me bij elk onderdeel af wat het ‘waarom’ en wat het ‘hoe’ is. Met het ‘waarom’ maak je duidelijk wat er misgaat wanneer de deelnemers de theorie niet toepassen. Als je dit helder uitlegt, snappen ze waarom het handig is om de theorie toe te passen. Met het ‘hoe’ geef je concrete gedragstips waarmee de groep gericht kan oefenen.

Focus  met 2 flappen

• Flap 1 met het ‘waarom’. Waarom werkt het gedrag dat je deelnemers wil leren? Wat gaat er mis als ze het anders doen?
• Flap 2 met het ‘hoe’. Hoe moeten deelnemers een lastige situatie aanpakken? Wat zijn de tips, wat is de checklist?

Zonder focus loopt je training minder goed. Tijdens de uitleg ga je zwabberen en in de discussie word je onzeker: je wilt op alle vragen antwoord geven. Wanneer de groep iets anders wil dan op het programma staat, heb je de neiging om al snel toe te geven, want: ‘Ach, hoe belangrijk is dit onderdeel nu helemaal?’

Structuur: welke leerstappen laat je deelnemers zetten?

Wanneer de focus van je training helder is, ontwerp je het leerpad. Hoe krijg je de deelnemers zover dat ze jouw theorie ook echt gaan snappen en toepassen? Dat lukt het best als ze zelf aan de slag gaan met de stof en dus bestaat een training voor een groot deel uit oefeningen, discussie en nabesprekingen. Natuurlijk moeten al die werkvormen wel met elkaar samenhangen, want anders zijn ze alleen maar ‘leuk’ en leveren ze geen leerwinst op. En als dat te vaak gebeurt, haakt de groep af.

Je geeft de werkvormen samenhang door te werken met didactische principes. Die geven een visie op hoe mensen leren en wat je als trainer kunt doen om hun leerproces te stimuleren. Zelf ga ik uit van ‘eerst willen, dan kunnen’ en gebruik ik de werkvormen van ‘mijn’ glijbaan en trap. Maar je kunt ook werken met andere didactische principes, bijvoorbeeld met de leercyclus van Kolb of met ‘plaatje, praatje, daadje’. Het belangrijkste is dat je een duidelijke didactiek kiest – de werkvormen volgen daar dan uit.

Wanneer het programma helder is, werk je alle onderdelen afzonderlijk uit. Zelf let ik daarbij altijd speciaal op 3 punten.

  • De instructie. Een oefening goed instrueren lijkt gemakkelijk, maar kan behoorlijk lastig zijn. Voor jezelf is de procedure glashelder, maar deelnemers snappen die al snel niet – en zullen dat vaak niet melden uit angst om ‘dom’ te zijn. Tijdens een goede instructie leg je uit wat de deelnemers gaan doen en ook waarom dat belangrijk is: wat leren/ontdekken/oefenen ze in deze oefening?
  • De nabespreking. De vraag ‘hoe was het?’ leidt tot een stille of juist heel wijd uitwaaierende nabespreking. Als je weet hoe je oefening in de training past, is het nog maar een klein stapje om te bedenken welke vraag je wilt stellen tijdens de nabespreking.
  • De brug naar het volgende onderdeel. Wat is de relatie met het volgende onderdeel? Maak die expliciet, zodat de groep je kan volgen. Als je een onderdeel afsluit met ‘zo, dat was dan dit onderdeel, nu het volgende’, moet je elke keer weer opnieuw opstarten. Weg flow.

Structuur  in 2 stappen

1. Kies een didactiek en ontwerp van daaruit werkvormen, bijvoorbeeld:
• glijbaan en trap;
• leercyclus van Kolb;
• ‘plaatje – praatje – daadje’.

2. Werk elke oefening uit
• Instructie op de flap
• Vraag voor de nabespreking
• Brug naar het volgende onderdeel

Contact

Tijdens de training zelf is het belangrijk dat je contact maakt met de groep, benieuwd bent, aandacht hebt voor wat er op dát moment gebeurt zodat je kunt inspelen op hún vragen en hún ervaringen. De focus en structuur die je van tevoren bepaald hebt, helpen hierbij. Juist omdat je zo goed voorbereid bent, kun je tijdens de training zelf werken in het hier-en-nu. Je kunt je aandacht bij de groep hebben en hoeft niet meer te twijfelen of je wel genoeg te bieden hebt, wat de volgende stap moet zijn.

Tijdens een training wissel je voortdurend af: contact met de groep – horen waar ze zitten in hun leerproces – contact met je vooraf bedachte focus en structuur – afwegend of dit de juiste stap is of dat er nog iets anders nodig is. Je focus zal niet zo snel veranderen, maar in de structuur kun je variëren. Je kunt ter plekke besluiten dat een andere oefening de groep beter dient. Juist doordat je al oefeningen had voorbereid, kom je vaak sneller tot variaties.

Contact met de groep: rust in je lijf, agenda laten vallen, vragen stellen, echt luisteren<–>Contact met jezelf: wat is nodig? Vooraf bedachte focus en structuur zijn dienend.

Wanneer je op deze manier contact maakt, zul je merken dat er flow komt in de training. Er komen vanzelf vragen uit de groep en je kunt de antwoorden laten ontstaan. Volgende stappen ontstaan vaak aan de hand van vragen uit de groep en je voelt dat iedereen betrokken is.

Zonder contact draai je je programma plichtmatig af. De overgangen tussen onderdelen of oefeningen zijn dan vaak aankondigingen: ‘Nu wil ik dit gaan doen’ en volgen niet logisch vanuit een vraag uit de groep. Beleefde en leergierige deelnemers gaat wel aan de slag, maar deelnemers met minder leerwensen verlies je op deze manier omdat ze voelen dat je niet aangehaakt bent bij hun praktijk.

Check: gebruik ik alle pijlers?

Wanneer ik ’s avonds nadenk over de eerste dag realiseer ik me dat het vooral ontbroken heeft aan contact. Ik had focus en ik had ook goede oefeningen, maar ik ben te gehaast geweest in mijn uitleg. Ik heb bovendien ondoordacht een extra oefening ingelast, waardoor ik mezelf onder tijdsdruk heb gezet. Nu ik dit weet, kijk ik ’s avonds nog even goed naar het programma voor de tweede dag. Wat is bij elk onderdeel de uitleg en welke oefeningen wil ik doen? Wat zet ik op de flap? De volgende ochtend zorg ik vooral voor rust: rustig zitten, go slow, contact maken. En warempel, het wonder ontstaat weer. De eerste dag was goed genoeg, maar de tweede dag loopt als vanzelf. Flow.

Leren hoe je focust houdt en krijgt?

Kom dan naar de opleiding train de trainer of naar de opleiding Van deskundige naar trainer.

4 gedachten over “3 pijlers van een geslaagde training”

  1. Heel herkenbaar de situatie die wordt geschetst. Ik ben gisteren teruggekomen van een training in Rwanda. De eerste 2 dagen verliepen goed. Leergierige docenten die proberen zoveel mogelijk toepasbare elementen uit de training te halen. De derde dag – andere doelgroep: supervisoren van de overheid verliep wat minder geslaagd. Ik moet denken aan wat we geleerd hebben over het “voelen van pijn”. Waarom zit je hier als deelnemer in deze training en wat is de situatie die je wilt veranderen. Daar komt bij dat we teveel elementen in 1 dag wilden stoppen. Je hebt maar weining tijd en dan moet je oppassen dat niet jou trainingsprogramma, maar het contact met de deelnemers centraal staat. Een goede les voor de volgende dag. De deelnemers (mede) het programma laten bepalen. Wat willen jullie leren.

    Beantwoorden
  2. Beste Hendrien,
    dank voor je reactie, en leuk om te lezen dat je het herkenbaar vond! Ook erg herkenbaar wat jij schrijft: als de groep leergierig is en de uitleg opslurpt, niet kan wachten op de oefeningen – dan gaat het al snel als vanzelf. Lekker gevoel is dat hè? Maar als er minder aansluiting is, moet je echt investeren in contact over de pijn, anders ben je meer bezig je programma ‘af te draaien’ dan mensen iets te leren. Veel succes met je volgende dag! Ben benieuwd hoe het dan gaat.
    Hartelijke groet,
    Karin

    Beantwoorden
  3. Mooi artikel.
    Ik ga nog eens kijken of ik mijn nabesprekingsvragen kan aanscherpen. Ik gaf laatst de zelfde training bij 2 verschillende groepen. Bij de ene groep verliep alles zeer vlotjes, ze waren enthousiast, leergierig en hebben mooie stappen gemaakt. De andere groep heeft ook veel geleerd, maar er was ook veel discussie. Op zich niet erg, want dat zat in hun hoofden. Maar we verloren wel veel tijd en het zorgde soms voor een wat negatieve sfeer. Ik denk dat als ik de nabesprekingsvraag anders stel ik dat beter kan sturen.
    Dank! Anke

    Beantwoorden
  4. Duidelijk artikel. Ik merk dat er veel verschil zit in de groepen. De ene groep is de andere niet. Het is wel frustrerend als er weinig contact met de groep gemaakt kan worden. Ik probeer het wel maar ooit heb je er gewoon een groep bij zitten die niet zo enthousiast is. Het is wel jammer want door interactie wordt het een leuke dag!

    Beantwoorden

Plaats een reactie