Waarom ik de krant niet meer lees tijdens een training

Vroeger was ik na een training altijd doodmoe. Trainde ik twee dagen achter elkaar, dan had ik de tweede dag  hoofdpijn. Mijn oplossing was in eerste instantie om meer rust te nemen tijdens de training. Wanneer de subgroepjes lekker aan het oefenen waren, ging ik even de krant lezen. Soms zelfs de leesmap, in het éne conferentieoord dat die had. Ik zie me daar nog zitten: een beetje ongemakkelijk, omdat ik ergens wel voelde dat dit niet de goede weg was.

Minder doen werkt niet …

En het was inderdaad niet de goede weg, want wat was het effect? Op het moment dat de deelnemers weer bij elkaar kwamen, had ik geen idee wat hun ervaringen waren. Dus startte ik de nabespreking vrij ongericht met een vraag als ‘Hoe was de oefening?’ Sommige deelnemers gingen dan flink uitweiden (soms met kritiek op de oefening), anderen vielen stil, maar er kwamen zelden interessante dingen op tafel. De nabespreking sloeg dood, de energie liep weg, en in dat dal moest ik de stap zetten naar een volgend onderdeel of een nieuwe oefening. Dat kostte me bakken met energie.

… meer doen wel!

Daarom ben ik het weer anders gaan doen. Tegenwoordig lees ik nooit meer de krant als de subgroepjes aan het werk zijn. Na een paar minuten loop ik even rond om te kijken of iedereen de opdracht goed oppakt. Daarna ga ik meeluisteren. Soms zit ik bij één groepje, soms houd ik meerdere groepjes tegelijk in de gaten. Ik luister mee en help soms mee. En guess what: dat levert me enorm veel energie op! Hoe kan dat?

1. Het maakt de training voor mezelf interessanter

Het is heel gaaf om te zien wat de deelnemers doen in de oefening, hoe ze elkaar helpen, hoe ze aan het leren zijn. Soms luister ik alleen, soms doe ik een duit in het zakje en help ik iemand individueel verder.

Bij de training Luisteren Samenvatten Doorvragen oefenen de deelnemers met matchen. Een subgroepje oefent met matchen van een dominant persoon die uitbundig vertelt hoe goed hij is. Hoe doe je dat zonder zelf ook verhalen te gaan vertellen? Want de bedoeling is wel dat ze met hun aandacht bij de ander blijven. Lastig! Ik help ze verder met een paar gerichte tips en het lukt. Zij blij en ik ook.

2. Ik zie wat de groep nog lastig vindt

Doordat ik de deelnemers de stof zie toepassen, ontdek ik wat ze gemakkelijk vinden en wat ze nog lastig vinden. Op basis daarvan realiseer ik me welke tip ik te geven hebt. Tijdens de nabespreking vraag ik eerst uit wat er leeft in de groep en dan kan ik er nog iets aan toevoegen: ‘Wat me opvalt …’ Dit helpt de deelnemers verder én het geeft ze een goed gevoel: ‘De trainer let op ons’. Dat is toch een ander gevoel dan ze krijgen als je de leesmap zit te lezen (sorry deelnemers van 18 jaar geleden…) En het geeft me zélf een goed gevoel, want de deelnemers leren meer.

Bij de opleiding train de trainer starten de deelnemers de eerste dag met ontwerpen. Aan het eind van de dag maken ze een diagnose van de praktijk van hun deelnemers. Bij het rondlopen merk ik dat ze het nog lastig vinden: alle tweetallen gaan op hetzelfde punt in de fout. Ik neem me voor om er de tweede dag extra aandacht aan te besteden.

De volgende dag open ik met de vraag: ‘Zijn er nog losse eindjes van gisteren?’ en een van de deelnemers brengt precies dit punt in. Ik vraag of de anderen het herkennen – ja – en vertel dat ik gezien heb hoe lastig het nog is. Ik stel ze gerust (‘Dit is ook het moeilijkste onderdeel van de diagnose’) en we pakken een voorbeeld bij de kop. We zijn er uiteindelijk drie kwartier mee bezig. Doordat ik de groepjes heb langsgelopen, weet ik dat dit goed bestede tijd is. Ik kan weloverwogen schuiven in mijn programma.

3. Ik kan mijn startvraag op maat maken

Zijn ze intensief bezig, valt het mee, valt het tegen? Als ik dat aanvoel kan ik de nabespreking fijner openen, want ik kan starten op het punt waar de deelnemers zijn en van daaruit toewerken naar een doel.

  • Stel dat ze erg geworsteld hebben met de oefening, dan zeg ik met een grote grijns: ‘Dat viel niet mee hè?’ Er wordt wat gezucht en gesteund, en alle deelnemers weten nu dat ze niet de enige zijn en dat het oké is om het lastig te vinden. Hierna kan ik gericht in de inhoud duiken: ‘Wat was er nog lastig?’
  • Is het al halfvijf en hebben ze zich toch uit de naad gewerkt? Dan is een compliment op zijn plaats.
  • Is er in het proces niets bijzonders aan de hand en hebben ze vrijwel alles succesvol toegepast? Dan kan ik vaart maken met een vraag als: ‘Wat werkt het best?’ of ‘Wat ga je morgen toepassen?’

Hierdoor wordt de nabespreking relevanter: ik laat de deelnemers kauwen als dat aan de orde is of beperk me tot een korte oogst als het al goed ging.

Ontspannen trainen = meer doen

De paradox is dus: doordat ik meer betrokken ben bij mijn deelnemers kan ik meer ontspannen trainen. Want ik weet wat ik wil ophalen en wil inbrengen in de nabespreking. Mijn grootste energielek in mijn begintijd als trainer was dus niet de aandacht die ik moest opbrengen. Het was de stress die dat gaf: ‘Zie ik alles? Kan ik het wel? Houd ik wel de regie?’ Doordat ik de subgroepen nu volg, kan ik de stress van me afzetten. Ik weet dat ik altijd de regie kan terugpakken.

Natuurlijk is het voor de deelnemer ook fijn dat je de subgroepen volgt en gericht kunt nabespreken. Ik denk dat veel deelnemers ‘saaie nabesprekingen’ op 1 hebben staan als energielek. Bovendien vinden de deelnemers het fijn wanneer de trainer aandacht heeft voor de groep en zijn aandacht goed verdeelt onder de deelnemers. Dus werk je langere tijd met dezelfde groep? Bedenk dan eens welke deelnemer je weinig aan het werk gezien hebt en ga bij een subgroepje zitten als hij zijn casus inbrengt of oefent.

Ook zo leren trainen?

Kijk dan eens naar de opleiding train de trainer – dé opleiding voor communicatietrainers.

17 gedachten over “Waarom ik de krant niet meer lees tijdens een training”

  1. Beste Karin de Galan,

    Altijd als ik een post van jou lees, kan ik wat met jouw tips. Dit betekent dat ik jouw posts nooit oversla in mijn mailbox. Erg bedankt hiervoor.

  2. Mooi inzicht Karin! Ik vind ook steeds beter mijn weg en merk dat ik er inderdaad veel energie van krijg om naast de deelnemers ‘af te meren’ tijdens hun oefeningen en veel van hun proces mee te krijgen.

  3. Wanneer je bij de groepjes hebt gezeten kun jij rijdens de nabespreking de verbindingen (overeenkomsten, verschillen benoemen) leggen tussen de groepjes: “bij jullie zag ik dit en bij jullie dat gebeuren”, terwijl het om hetzelfde thema of oefening gaat. Zo kan een nabespreking nog leerrendement opleveren en niet alleen maar uitwisseling.

  4. Vandaag letterlijk in de training ‘feedback geven’ ervaren. In een subgroepje werd ‘kritiek geven’ genoemd. Dit misverstand rond negatieve feedback kon ik in de nabespreking mooi wegnemen.
    En daar waar het groepje uitweidde in allerlei details bij de kernoefening, stimuleerde ik ze om nog even écht samen te gaan oefenen :-).
    Jouw 3 punten zijn zeker waar, Karin!

  5. Beste Karin, heel herkenbaar! Ik herinner me een training waarbij de trainer, tijdens groepswerk, een rapport ging zitten lezen! Ik heb dat ervaren als ‘hij heeft geen interesse in onze oefening’!
    Trainer zijn vraagt 120% aandacht tijdens uitvoering en dat respecteer ik zelf ook als trainer! Het maakt t werk ook interessant om te weten hoe men oefeningen oppikt! Dank voor je voorzet, Marie jose

    • Ja, die herken ik inderdaad ook; hoe het als deelnemer voelt als een trainer wel/geen aandacht voor de subgroepen heeft. En trouwens ook: dat het als deelnemer ook best spannend is als de trainer erbij komt zitten als je oefent :).

  6. Ik kan me helemaal vinden in jouw 3 punten. Het levert inderdaad heel veel op als je tijdens oefeningen betrokken blijft. Daar komt nog iets anders bij. Ik vraag altijd aan het begin van iedere training of de deelnemers de mobiele telefoons uit willen zetten. Stel je voor dat ik tijdens de oefeningen in subgroepen mijn mobiele telefoon erbij pak en uitgebreid berichten ga lezen. Dan geef ik een heel verkeerd signaal af. Ik vraag van de deelnemers om betrokken en gefocust te blijven tijdens een training, dan mogen ze dat ook van de trainer verwachten!

    • Mooie toevoeging!

      En heb nog wel wat nuance. Even checken van je mail vind ik geen ramp (bijvoorbeeld in die 3 minuten dat de groepjes op gang komen) (maar dat is iets anders dan een half uur op je telefoon zitten ;-))
      En soms heb ik even een time out nodig om afstand te nemen en de boel te overdenken. Dus ik zit soms ook even ‘niks’ te doen en ins blaue hinein te staren.

  7. Ik houd eerst even afstand om de deelnemers de ruimte te geven een nieuwe groep te vormen. Pas als ze lekker aan het werk zijn loop ik langs. Dit doe ik ook als een subgroep moeite heeft met starten. Deze rust maakt dat ze ook uit zichzelf hulp inroepen. Ik heb alle aandacht voor hen en tegelijk pas ik op voor teveel aandacht waardoor initiatieven en creativiteit doven.

  8. Nooit in me opgekomen om tijdens het werken in subgroepjes ‘iets voor mezelf’ te gaan doen als trainer. Zou het ‘kleinere’ contact om alle genoemde redenen niet willen missen, maar heb daarbij nooit stilgestaan. Trainen is een vak waarbij je altijd zoekt naar echte verbinding, vanuit het hart en met je verstand, toch?! Dat voelen deelnemers.

Plaats een reactie